* Hoofdmenu


* Sponsor


* Zoeken


* Leden


* Sociale media

Vind je deze site/pagina leuk?


Wat is zweefvliegen?

Op de volgende pagina's wordt de basis van het zweefvliegen uitgelegd, wordt beschreven hoe zweefvliegtuigen starten en hoe een normale zweefvlucht eruit ziet.

De basis van het zweefvliegen 

Zweefvliegen is een hele bijzondere manier van vliegen. Het wordt gedaan in een echt, gesloten vliegtuig, maar dan zonder motor.

Zweefvliegtuigen zijn vaak kleiner dan gewone vliegtuigen, in gewone zweefvliegtuigen kunnen één tot twee mensen. Het zweefvliegtuig is ontworpen om met zo weinig mogelijk weerstand te vliegen, en zo glijdt het vliegtuig langzaam naar beneden, net als een papieren vliegtuigje dat gegooid wordt. Dan kan een bepaalde afstand worden afgelegd (afhankelijk van de beginhoogte) en op een bepaalde hoogte wordt rond het veld gevlogen en geland.
Zweefvliegen is erg afhankelijk van het weer, zo mag de wind niet te hard zijn en moet het liefst droog zijn.

 

Met mooi weer is er vaak termiek. Termiek is een bel of een kolom warme lucht die opstijgt. Door in de termiek te gaan vliegen, wat vaak cirkelend gebeurt, kan hoogte worden gewonnen. Zo kan een zweeflvieger op mooie dagen lange afstanden afleggen. Soms moet de vlieger na een lange vlucht op een ander veld landen, of zelfs in een weiland, wanneer de termiek ineens op is en er geen normaal landingsveld in de buurt is.

Beginnende zweefvliegers blijven echter altijd in de buurt van het vliegveld, zodat zij zelfs als de termiek tegenvalt nog gewoon kunnen landen op hun thuisveld.

Zoals gezegd hebben zweefvliegtuigen geen motor, en verliezen tijdens normaal vliegen langzaam
hoogte. Er is dus hoogte nodig om ergens heen te kunnen vliegen of termiek te kunnen zoeken. Hoe start een zweefvliegtuig dan? Om te starten, dus om de eerste paar honderd meter hoogte te winnen, heeft een zweefvliegtuig hulp nodig.

Op de volgende pagina kun je lezen hoe een zweefvliegtuig start. Daarna kun je lezen hoe een normale zweefvlucht eruit ziet.

Starten met een zweefvliegtuig

 Een zweefvliegtuig kan op een aantal manieren starten. Ten eerste is er de lierstart, in Nederland de meest gebruikelijke manier van starten, dan is er nog de sleepstart en als laatste het zelf-startende zweefvliegtuig. Hieronder worden deze startmethoden kort beschreven. Bij alle startmethoden wordt tegen de wind in gestart, omdat dan de grondsnelheid lager is en er minder veldlengte nodig isom te starten.

Lierstart

Bij een lierstart wordt er zo'n 1 tot 1,5 km van de startplaats een lier gezet, waar een aantal kabels om trommels zitten. Deze kabels worden dan uitgetrokken naar de startplaats, dit gebeurt met een auto of vrachtwagen.

Zo'n kabel wordt aan het zweefvliegtuig vastgemaakt aan een speciale haak. Op signaal van het veld wordt de kabel op de lier snel ingelierd, zodat het zweefvliegtuig vooruit wordt getrokken en opstijgt.
Wanneer het vliegtuig bijna boven de lier is houdt de lierist op met gas geven, en kan de vlieger ontkoppelen vanuit de cockpit, waarna de kabel loskomt van het vliegtuig en verder kan worden ingelierd. Wanneer alle kabels zijn gebruikt om een zweefvliegtuig te laten starten worden deze opnieuwuitgereden naar de startplaats, en kunnen de volgende vliegtuigen worden ingelierd.

Met een lierstart komt men meestal op 350 tot 600 m los van de kabel, afhankelijk van de veldlengte en wind (sterke tegenwind is het beste).

 















Sleepstart

Bij een sleepstart wordt een zweefvliegtuig door een zogenaamd sleepvliegtuig getrokken, tot de gewenste hoogte is bereikt. Een sleepvliegtuig is een motorvliegtuig met een voldoende krachtige motor om een zweefvliegtuig eraan gekoppeld (via een kabel van circa 50 m) hard genoeg te kunnen stijgen.

Het voordeel ten opzichte van een lierstart is dat het zweefvliegtuig op grotere hoogte kan worden afgezet, en ook op een bepaalde plek, terwijl deze bij het lieren vaststaat. Ook kan een zweefvliegtuig over langere afstanden achter het motorvliegtuig worden getrokken (bijvoorbeel als de thermiek op is). Het nadeel is dat het duurder is, en er meer eisen aan het vliegveld gesteld worden als motorvliegtuigen moeten kunnen starten en landen.

Zelf-startend zweefvliegtuig

Tegenwoordig hebben sommige zweefvliegtuigen een uitklapbare motor (achter de cockpit in de romp), deze dient veelal om in geval van verslechterde omstandigheden toch op een vliegveld te kunnen landen, in plaats van in een wei. Sommige van de motoren zijn zo krachtig dat een zweefvliegtuig er zelf mee op kan stijgen. Dan spreekt met van een zelf-startend zweefvliegtuig. Na de start wordt de motor ingeklapt en wordt er normaal gezweefvliegd.

Het voordeel van een zelfstartmotor is dat de vlieger niet afhankelijk is van de startfaciliteiten op het zweefvliegveld.

Hoe ziet een zweefvlucht eruit?


Het is mooi vliegweer, de hemel is blauw met wat bloemkoolwolkjes: het wordt een geweldige thermische dag!


’s Morgens verzamelt iedereen zich in het restaurant de Thermiekbel. Rond negen uur worden alle spullen naar de strip gebracht: de vliegtuigen uit de hangaar of in de aanhangers, de starttoren en de kabeltruck. De lieren worden ook opgesteld.


Dan worden op het veld de kisten in elkaar gezet, als ze uit de aanhanger komen. De vleugels worden er dan aangezet en het horizontale staartvlak wordt vastgemaakt.

Iedere vliegdag wordt elk toestel zorgvuldig geïnspecteerd. Een ervaren vlieger kijkt of alles vastzit met de pinnen en moeren, of de roeren goed werken en of er geen schade is die eerder niet is opgevallen. Daarna wordt het vliegtuig ingevlogen, dit gebeurt vaak door de zelfde persoon die de inspectie deed. Tijdens het invliegen kijkt hij of zij dan of het vliegtuig zich zo gedraagt zoals het hoort.

Daarna is het tijd om het vliegtuig te gebruiken voor de normale vluchten. Een vlieger doet een parachute om en stapt in. Misschien vliegt u wel mee op uw eerste vlucht!





De start

De vlieger doet de kap dicht en doet de cockpitcheck. Hij kijkt dan of alle stuurorganen soepel bewegen, en of hij alles goed heeft afgesteld en zijn riemen goed vast zitten. Als de sta

rtbaan vrij is kan er een kabel worden aangehaakt. Er gaat iemand aan de tip staan om de vleugels horizontaal te houden. Als de vlieger er klaar voor is geeft hij een ‘duim omhoog’ teken, en de tiploper geeft een signaal aan de starttoren. Die geeft dan middels een lichtsignaal aan de lier te kennen dat er gestart kan worden. Langzaam wordt de kabel strakgetrokken. Als de kabel strak is geeft de lierist vlot gas bij, en het zweefvliegtuig versnelt. In een paar seconden vliegt het rond de 100 km/h en komt het vliegtuig los van de grond. Het vliegt!

Tijdens de start trekt de piloot aan de knuppel, zodat de neus van het toestel omhoog gaat en het vliegtuig snel stijgt. Met nog geen minuut ben je op zo’n 400 meter hoogte! Dan gooit de lierist het gas dicht, en de piloot voelt dat de spanning op de kabel wegvalt. Hij drukt dan de neus van het vliegtuig naar beneden en ontkoppelt. De kabel valt los en het vliegtuig zweeft vrij!

De vlucht

Nu is het zaak om te proberen

 boven te blijven. Dit doet de vlieger door in de thermiek te gaan vliegen. Thermiek is stijgende warme lucht. Met goed weer is er vaak thermiek, en deze is boven de Veluwe, dus ook op Terlet, vaak erg goed. Er zijn verschillende aanwijzingen waar thermiek te vinden is, en een goede piloot zal deze gebruiken om snel thermiek te vinden. Hij kijkt naar de wolkenvorming, naar het landschap onder zich (thermiek zit vaak boven donkere warme velden) en naar vogels die ook gebruik maken van de thermiek. Het makkelijkste is natuurlijk als er al een zweefvliegtuig aan het draaien is in de thermiek. Zodra de vlieger thermiek heeft gevonden gaat hij hierin draaien, om in het snelst stijgende stuk te blijven.

Als hij de thermiekbel heeft uitgedraaid, of tot de hoogst toelaatbare hoogte is gestegen, verlaat hij de thermiekbel. Afhankelijk van de hoogte kan hij nu ergens heen vliegen. Bijvoorbeeld naar Apeldoorn of Arnhem, of op mooie dagen zelfs veel verder! Dan moet er wel genoeg thermiek zijn om weer hoogte te winnen. Als een zweefvliegtuig gewoon vliegt dan verliest het namelijk langzaam hoogte. Dit variëert per vliegtuig van de 350 meter tot de 200 meter per afgelegde 10 kilometer. Met goede thermiek kan een zweefvliegtuig uren achter elkaar vliegen!

Zonder thermiek duurt een vlucht ongeveer 7 of 8 minuten.

Maar hoe lang de vlucht ook duurt, na afloop moet het toestel natuurlijk landen. 






















De landing

Om weer te landen moet de piloot eerst dalen. Hij zorgt dat hij dan op ongeveer 220 meter op het circuit aansluit. Het circuit is een vaste aanvliegroute voor de landingsbaan, zo kan iedereen zien dat een vliegtuig komt landen, en heeft de piloot even rust om zich op de landing voor de bereiden en de checks uit te voeren. Hij kijkt dan naar het veld hoe de situatie is, of er wel landingsplek is en hoe de wind staat. Als het toestel een inklapbaar landingsgestel heeft klapt hij het wiel uit.

De piloot vliegt eerst voorbij het veld, en maakt dan twee bochten zodat hij recht op het veld uitkomt: de final. Op dit laatste stuk regelt hij met remkleppen de hoogte. Remkleppen verhogen de weerstand van het toestel en dus de daalhoek. Als hij bijna op de grond is trekt hij voorzichtig de neus van het vliegtuig iets omhoog, hij probeert dan zo dicht mogelijk boven de grond te vliegen. De snelheid loopt langzaam terug en het wiel raakt de grond. Het toestel rolt uit en de vlucht zit erop...

Een prachtige vlucht, zoals altijd! Als dit uw eerste vlucht was, zult u ongetwijfeld hebben genoten!